Symbolisme in Vlaanderen

Symbolisme in Vlaanderen

Het paradijs ligt aan de Leie

RECENSIE SYMBOLISME IN VLAANDEREN

De Standaart: door Inge Schelstraete

Zaterdag 20 augustus 2022 

Het paradijs ligt aan de Leie

Moet je helemaal naar Den Bosch om Valerius De Saedeleer, George Minne en Gustave Van de Woestyne te zien? Op zich niet, maar Het Noordbrabants Museum brengt wel een rist topwerken uit Vlaamse musea en privécollecties bijeen, in wat voor Nederland een kennismaking is met de Latemse symbolisten.

Zelfs op een drukke namiddag in Het Noordbrabants Museum glijd je zo in de Leielandschappen van Valerius De Saedeleer. Luchten zijn dreigend vuilgeel, boerderijen petroleumgroen, zwarte takken krullen als boze ledematen in sneeuwlandschappen. “Ik ontdekte de Leie, mijn ziel en mijn geweten”, leest het citaat van de schilder op de muur. 

 
Ik ontdekte de Leie, mijn ziel en mijn geweten.
- citaat van de Valerius de Saedeleer, 1935

De schilder uit Aalst had al in het polderdorp Lissewege gewoond voor hij in 1898 naar Sint-Martens Latem verhuisde. “Hij vond er een soort paradijs”, zegt Helewise Berger, curator van de tentoonstelling Symbolisme in Vlaanderen. “Hij ging ook aan de oever van de Leie wonen, zijn atelier keek uit over de rivier”.

Vlakte in de winter (1911), Valerius De Saedeleer

Na hem arriveerden andere kunstenaars, zoals de beeldhouwer George Minne en de broers Karel en Gustave Van de Woestyne, schrijver en schilder. Minne was ongeveer even oud als De Saedeleer, maar al een stuk bekender – hij had in Brussel naam gemaakt in de groep Les XX, die brak met de strakke academische kunst. Minne was niet de eerste die naar Latem trok, maar hij vond er wel een nieuwe adem en nam de andere kunstenaars op sleeptouw. “Minne ging om ongestoord te kunnen werken”, zegt Berger. “Maar de Van de Woestynes trokken erheen omdat hun vrienden daar al woonden. Ze ontvluchtten de drukte en snelheid van het industriële Gent. Ze zochten een soort puurheid, wilden dichter bij de natuur leven, zonder poespas. Tekenend daarvoor is de uitvergrote foto van Valerius De Saedeleer in de expo, die op blote voeten staat te werken, letterlijk in contact met de aarde”.

Zaaien en zweven

De slechte zaaier (1908), Gustave Van de Woestyne

Ze zijn niet de enigen die terug naar de natuur wilden. Een paar kilometer stroomafwaarts, in Astene, woonde en werkte Emile Claus. Maar de kunstenaars van wat later de eerste Latemse school zou worden genoemd, hadden ook genoeg van het impressionisme dat hij beoefende. Kunst moest meer voorstellen dan een indruk, en meer zeggen dan puur wat er te zien is. Het zijn symbolisten, maar niet van het gotische, exuberante soort; hun werk is stiller en introspectiever. “Door die connectie met de aarde en de natuur is hun werk bijvoorbeeld niet te vergelijken met de Brusselse tak van het symbolisme”, – zegt ook Berger. En religie is nooit ver weg, zodat ze soms “mystieke symbolisten” worden genoemd.

“Zowel De Saedeleer als Van de Woestyne heeft zich in Latem verdiept in het geloof”, – zegt Berger. “De Saedeleer keerde terug naar het katholicisme van zijn jeugd, en dat wakkerde Van de Woestynes religieuze gevoelens ook weer aan”. Ze ontdekte de kunstenaarsgroep in de tentoonstelling De nieuwe morgen van het Mudel in Deinze. “Daar waren verschillende nieuwe kunststromingen te zien van begin 20ste eeuw, maar wij waren erg onder de indruk van het symbolisme, dat in Nederland niet zo bekend is”. Ze nam contact op met curator Piet Boyens, auteur van menig boek over Latemse kunst en gastconservator van Het Noordbrabants Museum, in hartje Den Bosch.

Het werk dat haar meteen opviel in Deinze, “De slechte zaaier” van Gustave Van de Woestyne, zuigt ook in deze tentoonstelling alle bezoekers naar zich toe; het hoeft niet eens centraal op een muur te hangen. De boer uit de Bijbelse parabel verspilt een deel van zijn zaaigoed: het wordt vertrappeld op de weg, of overwoekerd door onkruid. In Van de Woestynes werk pikken enkele kraaien die bij Edgar Allan Poe zijn ontsnapt het zaad achter zijn hielen weg. Het is geschilderd op een gouden achtergrond, als een icoon, en door de uitstekende belichting van de expo lijkt de boer wel te zweven boven de achtergrond.

Maar “De slechte zaaier” is meer dan iconografie: hij is autobiografisch. Gustave Van de Woestyne was amper achttien en nog volop zoekende toen hij met zijn broer naar Latem verhuisde. De slechte zaaier is hijzelf: “Hij wilde in het klooster gaan, maar kreeg daar na een paar weken te horen dat dat niet zijn roeping was”, – zegt Berger. “Hij vatte dat op als een persoonlijk falen: net als de zaaier was hij tekortgeschoten. En toen hij wilde trouwen, werd hij ook nog eens afgewezen als schoonzoon door de ouders van het meisje. Ook die ontgoocheling speelde op dat moment”. Het maakt het werk alleen maar intrigerender. De mislukte boer zaait onver-stoorbaar verder, goed wetende hoe ontoereikend zijn mensenwerk is.

Op een ander schilderij glimlacht een vreselijk gemartelde Jezus ons vriendelijk toe. De portretten van blinde boeren, die me als kind de stuipen op het lijf joegen tijdens schoolbezoeken, lijken opeens geen beklagenswaardige slachtoffers, maar mensen die meer gezien hebben dan hun ziende lotgenoten.

Pruilmondje

In details spreekt bewondering voor de Vlaamse primitieven. De ragfijn geschilderde rimpels en haartjes van Van de Woestynes boeren zouden bij Van Eyck toebehoren aan een kanunnik

Een paar vrouwenportretten van Van de Woestyne, die in de tentoonstelling gegroepeerd zijn gehangen, lijken wel van een andere kunstenaar te komen. Terwijl de boeren hard en scherp worden geschilderd, zijn de vrouwen geïdealiseerd, bijna als engelen. Het Noordbrabants Museum heeft er een schilderij van de Nederlander Jan Toorop bij gehangen, een vriend van Minne uit Les XX. Van de Woestynes vrouwen- gezichten zijn in dezelfde modieuzere stijl geschilderd, maar lijken daardoor voor ons gedateerder dan zijn moeilijk in een stroming te klasseren boeren – koppen. Enig moralisme is hem niet vreemd: in De twee lentes is de burgeres met haar enorme struisvogelveren herleid tot een pruilmondje, terwijl de boerin met haar slecht sluitende jurk met open gezicht te zien is.

Symbolisme in Vlaanderen is als een best of van Vlaamse musea zoals Mudel, het Museum voor Schone Kunsten in Gent, Dhondt-Dhaenens of Gevaert-Minne. ’t Gasthuys, het stedelijk museum van Aalst, leende maar liefst vijf werken van Valerius De Saedeleer uit.

“Maar een flink deel van de werken in de expo komt uit privébezit. Het verbaast me dat zoveel van deze mooie werken nog in particuliere handen zijn”, – zegt Berger. Een daarvan is “Vlakte in de winter”. Twee derde van het imposante werk bestaat uit een antracietgrijze hemel, die loodzwaar drukt op nietige boompjes en boerderijtjes die weg lijken te zakken in de sneeuw en de modder. De vergelijking met de winterlandschappen van Bruegel dringt zich spontaan op.

In details spreekt vooral ook bewondering voor de Vlaamse primitieven, die net werden herontdekt. De ragfijn geschilderde rimpels en haartjes van Van de Woestynes boeren zouden bij Van Eyck toebehoren aan een kanunnik.

De Saedeleer had net als Van de Woestyne in impressionistische stijl geschilderd, maar in de bocht van de Leie die hij steeds opnieuw schildert, drijven in de lente waterplanten die zo precies zijn geschilderd dat ze een halve eeuw later fotorealistisch zouden worden genoemd.

Aders op de huid

Het idee dat je aan de Leie terug naar de kern gaat, wordt om de paar generaties herontdekt. In de jaren 70 streken hippiecommunes er neer, tijdens de pandemie lokten de wandelpaden rond de rivier horden wandelaars
Dromend meisje (1911), Gustave Van de Woestyne

George Minnes stijl veranderde in Sint-Martens-Latem het minst van de drie kunstenaars. De werken in de tentoonstelling gaan voornamelijk over smart, een thema dat hem levenslang inspireerde. Ze tonen ook zijn interesse voor de vroeggotische beelden uit kerken, met hun lang uitgerekte figuren. “Je merkt dat hij die in Sint-Martens-Latem iets ambachtelijker weergeeft, wat realistischer ook, zodat je bijvoorbeeld weer de aders op de huid ziet”, – stipt Berger aan. Vaak zijn ze ook dynamischer dan wat we met Minne associëren. Weg is de verstilling van de geknielde jongens in een werk als “Moeder beweent haar dode kind”: ze strekt haar hoofd naar de hemel, terwijl dat van het kind in haar armen slap naar beneden hangt.

Van Minne zijn weinig afgewerkte tekeningen bewaard gebleven, maar Symbolisme in Vlaanderen pakt uit met een bijzonder mooie potloodtekening. Verrassend ook: met haar zwierige lijnen zou je ze ook onder de art nouveau durven klasseren – een stijl die natuurlijk nog in volle bloei was. “En de tweede Latemse school, de latere expressionisten als Constant Permeke en Gust De Smet, arriveerde al in 1905”, – zegt Berger. Ze trokken niet samen op, ze hadden niet hetzelfde gedachtegoed, en de expressionisten hadden zeker niet de religieuze inslag van de kunstenaars in deze tentoonstelling.

Maar het idee dat je aan de Leie terug naar de kern gaat, wordt om de paar generaties herontdekt. In de jaren 70 streken hippiecommunes neer aan de rivier om er biologisch te tuinieren, tijdens de pandemie lokten de wandelpaden horden wandelaars. “In de expo hebben we voor die insteek gekozen, – zegt Berger, – dat die kunstenaars terug wilden naar de natuur en dat die parallel ook vandaag nog te trekken valt. We monitoren nu of de bezoekers die hierheen komen interesse hebben om dichter bij de natuur te leven”.

Recente posten. Het Noordbrabants Museum

Symbolisme in Vlaanderen PDF bestaand

De eerste generatie kunstenaars in Sint-Martens- Latem, t.e.m.

9/10 in Het Noordbrabants Museum,

Den Dromend meisje (1911), Gustave Van de Woestyne. privécollectie Bosch ★ ★ ★ ★ ☆

Tags: geen tags

Reacties zijn gesloten.